Dag 20 - Vrijdag, 17 december 1999

Om 11:51 landt het vliegtuig op stevig asfalt. De Cubaanse dame staat op uit haar stoel terwijl we naar de gate taxiŽn en ik dring er bij haar op aan dat ze moet blijven zitten. Ze heeft er duidelijk geen idee van dat het nog een aantal minuten zal duren voordat we kunnen uitstappen.

ŅAyudarme? is het woord dat ik begrijp wanneer ik haar iets hoor zeggen. Het verbaast me helemaal niet dat niemand in haar buurt reageert. Ik haal haar bagage uit het vak en help haar om de zware dingen te dragen. Bij de uitgang van de gate staan twee douanebeambten met een grote herdershond. Ze is bang voor het dier, dat half zo groot is als zij.

Ze toont me haar ticket en ik begrijp dat ze geen aansluitende vlucht heeft, maar dat iemand haar hier op Schiphol op zal halen. We lopen door de paspoortcontrole en lopen dan het lange stuk naar de bagagebanden. Ik vertel haar welke plaatsen ik bezocht heb in Cuba en zij zegt dat ze uit Bayamo komt. Ik schat dat ze in de zestig is, maar ik zou er best tien of vijftien jaar naast kunnen zitten.

Als we door de douane zijn, kijken we rond of we degene zien die haar op moet halen. Na een minuutje komt er aarzelend een man op haar af die haar broer of neef zou kunnen zijn. Ik ben er eigenlijk in eerste instantie helemaal niet van overtuigd dat dit de betreffende persoon is. Ze spreken wat woorden tegen elkaar en ik kijk de andere kant op. Als ik me weer omdraai zie ik tranen in hun ogen. De man bedankt me voor het dragen van haar bagage en terwijl ze weglopen draait ze zich om en wenst me Hasta luego.

Het is koud en regenachtig. Ik pak snel mijn jas uit mijn rugzak en trek hem aan. Ja, ik ben weer thuis.