Dag 19 - Donderdag, 16 december 1999

Tijdens een wandeling gisteren langs de Autopista Sur leek het me wel een goed idee om helemaal naar de uiterste oostpunt van het Península de Hicacos te rijden, bij wijze van afscheid van dit eiland waarvan ik ben gaan houden. Dus dat ben ik deze ochtend aan het doen.

Tot ziens...Het is kwart over tien en ik sta op het vuile strand aan de oostpunt van het schiereiland, met uitzicht op de bruingroene oceaan. Er is een vrachtwagenband aangespoeld. De hemel is bewolkt en er staat een straffe zuidoostenwind; de lucht voelt vochtig en zilt aan. Een pelikaan vliegt voorbij op minder dan twee meter. Door zijn slome vleugelslag in de tegenwind lijkt het alsof ik naar een film in slow-motion zit te kijken...wat een fascinerend gezicht!

Aan alle dingen komt een eind. De drie leuke meiden die vlak achter de ophaalbrug instappen zullen mijn laatste passagiers in Cuba zijn, omdat ik op weg ben naar het vliegveld Juan Gómez. Eigenlijk willen ze naar Matanzas, maar ze besluiten mee te gaan en de gok te wagen om bij de ingang naar het vliegveld een lift te krijgen. We praten over Cuba, de mensen, het land en waarom ik alleen reis (hoe raad je het?).

Ik rij op de weg naar het vliegveld. Op een bord boven de weg staat Feliz viaje - Vuelva pronto. Ik lever de auto in bij de verhuurmaatschappij. De auto is in orde, maar ik moet wel uitleggen dat de afleverkosten (US$54) echt wel inbegrepen zijn in het bedrag dat ik voor deze reis betaald heb.

De terugvlucht staat gepland om zes uur 's avonds, wat mij voldoende tijd geeft om een exemplaar van Versos Sencillos en een fles Havana Club Añero 7 te kopen. Het aftellen is begonnen en terwijl ik maar zo'n beetje zit te wachten, zie ik de vertrektijd veranderen van 18:00 naar 19:20 naar 18:45. Om 17:27 staat de Martinair Boeing 767 aan de gate. Het is leuk om te zien dat de passagiers die zojuist aangekomen zijn door de vertreklounge lopen; het enige wat hen van ons scheidt is een glazen wand. Exact om 18:45 vertrekken we naar Montego Bay, Jamaica.

'Great to be back home, man!' Het onmiskenbare accent van een van de Jamaicanen die het vliegtuig verlaten in Montego Bay doet mij en een aantal andere passagiers lachen. Een lach die snel verdwijnt als we weer vertrekken, nu voor de vlucht van achteneenhalf uur naar Amsterdam. Eén van de drie- of vierjarige kinderen van een Nederlandse familie begint uit pure verveling te schreeuwen, wat de andere twee aanzet om gezellig mee te doen. De betreffende ouders, die met hun voeten hoog tegen een schot in het midden van het vliegtuig zitten, proberen de kinderen rustig te krijgen op een manier waar ik niet echt van onder de indruk ben. Twee Nederlandse jongens die voor me zitten, vinden het wel een goed idee om met je voeten in de hoogte te gaan zitten, zodat iedereen ze kan zien. En waarom, waarom proberen mensen eerst kilo's bagage in de kastjes te persen als ze instappen om vervolgens gedurende de rest van de vlucht de kastjes steeds weer open te doen en in hun spullen te rommelen?

Een Cubaanse vrouw zit rechts van me, een rij naar achteren. Het valt me op dat het de eerste keer is dat ze in een vliegtuig zit. Dat op zich is natuurlijk niet zo raar, maar het is grappig om te zien hoe ze een kop koffie probeert te bestellen bij een van de stewardessen. Ze is niet op de hoogte van het protocol van het reizen per vliegtuig dat dicteert dat je eerst iets te eten krijgt en dan kan kiezen uit koffie of thee. Nog leuker is als ze, direct nadat ze haar eten op heeft, haar dienblaadje oppakt en het zelf naar de trolley brengt waarmee de bemanning het afval ophaalt.