Dag 12 - Donderdag, 9 december 1999

Castillo de Jagua is mijn eerste reisdoel vanmorgen. Om daar te komen zou ik zo'n 50 kilometer moeten rijden, dus probeer ik eerst maar eens mijn geluk door te kijken hoe het eruit ziet vanaf de overkant van de Bahía de Cienfuegos.

SpringvloedIk kom uit in Las Milpas, waar een meisje me uitnodigt om een kijkje te komen nemen in de paladar die ze drijft. Het ziet er heel netjes uit; het is geen verrassing dat er op deze plek die zo dicht bij het water ligt pescado en camarones op de menukaart staan. Langosta kost ongeveer de helft van wat er in staatsrestaurants voor wordt gerekend. Estoy aquí, zegt ze en ik zeg dat ik erover zal nadenken.


Castillo de JaguaEen jongen genaamd Enrique vraagt me of ik het Castillo de Jagua wil bezoeken. Hij zegt dat hij kan regelen dat we naar de overkant kunnen met het voetveer dat vertrekt vanaf een plek dichtbij Hotel Pasacaballo. De overtocht bedraagt een peso en als we aan de overkant zijn ontpopt Enrique zich als een echte reisleider door me alles over de burcht te vertellen. De inflatie in Cuba moet gigantisch zijn, want de reis terug met het veerbootje kost een dollar...

Enrique biedt aan om met me mee te gaan naar Cienfuegos, aangezien ik daarnaartoe wil. Hij moet alleen even andere kleren aantrekken en wat geld halen, dus hij vraagt me om mee te gaan naar de plek waar hij woont. En dat is het ook. Het is een plek waar hij woont. Eerlijk gezegd is het meer een stortplaats en ik kan me niet voorstellen dat iemand hier kan wonen. En toch is dat het geval; hij woont hier samen met zijn nichtje en zijn kleine broertje, dat op blote voeten rondloopt. Een klein hok van acht bij drie meter, gebouwd van restmateriaal. Twee kleine bedden aan de rechterkant. Kleren hangen aan een touw - geen kasten. Het meisje is bezig om eten te koken op een houtvuur; de pannen zitten onder het roet. Overal zijn vliegen. Een oom van Enrique verontschuldigt zich dat hij me geen hand geeft; zijn handen zijn vettig omdat hij vlees staat te snijden. Hij nodigt me uit om te gaan zitten. Zijn rechteroog is ontstoken. Ik voel me niet op mijn gemak met mijn camera van 1100 gulden in mijn hand.

Enrique vertelt me dat zijn vader en moeder allebei zijn verdronken tijdens het vissen, drie jaar geleden. Nu moet hij de kost verdienen voor zichzelf, zijn nichtje en zijn broertje. Een van de dingen die hij doet om geld te verdienen is grasmaaien (letterlijk; met een machete). Binnenkort wordt hij zeventien.

1902: Onafhankelijkheid van SpanjeMuseo HistóricoEen luide knal weerklinkt tussen de gebouwen rond Parque José Martí wanneer een band van een vrachtwagen ontploft. Gelukkig raakt niemand gewond. De situatie is een stuk verbeterd sinds David Stanley hier onderzoek deed: overal politie, geen ritselaar te zien. Ongetwijfeld lezen ook Cubaanse ambtenaren de reisgidsen van LP :) In feite is dit park een van de mooiste die ik in Cuba gezien heb, met indrukwekkende, kleurrijke gebouwen zoals het Museo Histórico eromheen.

Cementerio La ReinaVissen in de LagunaHet westelijke deel van Cementerio La Reina is zwaar beschadigd door de orkaan Lily. Een grote grafsteen van 15 centimeter dik is in stukken gebroken en vrijwel het gehele dak erboven is verdwenen. Wederom blijkt de kwaliteit van mijn reisgids, omdat Enrique helemaal niet wist dat dit kerkhof bestond!

Je zwaant je thuis...We zitten in de auto aan de kant van de weg een ijsje te eten dat Enrique bij een kraampje heeft gekocht. Zo'n grappig geel bolvormig karretje dat gebruikt wordt om gasten van dure hotels rond te rijden komt ons tegemoet op de andere weghelft. Eerlijk, Enrique heeft geen idee waarom ik het bijna begeef van het lachen als hij zegt - met een ondertoon van verrassing in zijn stem - dat de bestuurder es una mujer.