Dag 2 - Maandag, 29 november 1999

No hay jamón, zegt de serveerster. Oh nou, laat die ham dan maar zitten en maak er maar een bocadito con queso van. Een minuut later staat ze weer bij mijn tafel, blijkbaar heeft ze even navraag gedaan wat de meest recente toestand van de voorraadkast in het restaurant is. Hay jamón... Het sinaasappelsap is vers en de café cubano is wat hij moet zijn: een zoete, geconcentreerde dosis cafeine. Het lijkt me dat er aan personeel geen gebrek is: acht of negen personen zijn bezig om hetzelfde aantal gasten te bedienen.

Ik loop een paar honderd meter voorbij de achterzijde van het honkbalstadion, in de richting van een soort sportcomplex dat onderdeel lijkt te zijn van de universiteit van Holguín. Ik ga zitten op de trap die naar het zwembad leidt en bekijk de mensen die voorbijkomen. Fietsers, een vrachtwagen vol mensen, meer fietsers, wandelende mensen. De meesten zien er goed gekleed uit, netjes gekleed. Een versleten Kamaz vrachtwagen stopt en iemand stapt uit. Aan de overkant van de straat spelen een aantal jongens hockey.

Tegen negen uur ga ik terug naar het hotel om mineraalwater te kopen. Ik doe mijn rugzak om en zodra ik in de richting loop van het centrum van de stad biedt een jongen op een Bi-Ci taxi aan om me daarnaartoe te brengen. Nee dank je, caminar me gusta. Het verbaast me dat hij mijn weigering zomaar accepteert.

Avenida de los Libertadores is vol met mensen. Het moet een makkie zijn voor de geldwisselaars om me in de menigte te herkennen met mijn rugzak, mijn blanke huid en mijn 1 meter 83. Een vrouw komt naar me toe met een handvol bankbiljetten. Ik vertel haar dat ik geen interesse heb en ook zij accepteert dit zonder discussie.

Zelfgebouwde boxcameraRicardo vertelt me dat hij leraar Engels is. Zou kunnen, ik weet het niet. Hij zegt dat hij een goede paladar weet waar ik vis en garnalen kan eten. Hij kent ook een casa particular, mocht het me interesseren. Op het moment zit hij zonder werk en probeert hij wat geld bij te verdienen door toeristen rond te leiden in Holguín. Gratis, maar als ze hem wat willen betalen, dan stelt hij dat natuurlijk wel op prijs. De eerlijkheid van deze man bevalt me en ik besluit om met hem mee te lopen. We praten over de bezienswaardigheden, over de geschiedenis van Cuba, de situatie zoals die nu is en het gebrek aan allerlei zaken. Hij laat me winkels zien waar met peso's betaald kan worden en die waar je alleen met dollars terecht kunt. In Calle Manduley staan ongeveer 40 mensen in een rij te wachten voor het Cadeca kantoor om hun peso's te wisselen; 21 peso's voor een dollar.

Sonia, Ricardo's vrouw, is thuis als we binnenkomen. Haar familie behoorde tot de vermogende klasse in de tijd vóór de revolutie. Het lijkt of de tijd is stil blijven staan in dit huis. Scheuren in de muren, versleten meubilair, luiken die al heel lang geleden voor de laatste keer geschilderd zijn. Het is echter wel schoon. Terwijl we praten valt me iets bijzonders op aan deze mensen; ik weet dat ze maar weinig te besteden hebben en dat het voor hen moeilijk is om zelfs maar hun eten elke maand bij elkaar te krijgen, maar op de één of andere manier lukt het hen toch om hun waardigheid te bewaren. Het zit 'm in de manier waarop ze praten, hoe ze eruitzien...moeilijk om het precies te zeggen.

1961 Ford ThunderbirdAan de voet van de Loma de la Cruz; een regenwolk hangt in de luchtRicardo en ik gaan weer naar het centrum van de stad. Ergens in Calle Frexes valt te lezen op een bordje achter de ruit van een T-Bird uit 1961 dat de auto te koop is. We bezoeken het bescheiden museum in het geboortehuis van generaal Calixto García en lopen dan in de richting van de Loma de la Cruz. Mijn beloning voor het beklimmen van de 460 treden naar de top van de heuvel bestaat uit drie jochies die me om een dollar vragen. Ik probeer hun uit te leggen dat ik daar een probleem mee heb. 'Ja, jullie hebben gelijk, één dollar stelt voor mij niets voor, maar ik heb deze dollar verdiend door ervoor te werken.' Ik vraag of ze willen poseren voor een foto en geef hun dan de dollar, maar ik ben niet echt gelukkig met de situatie.

De zon gaat onder als we de trap weer afdalen. Tegen de tijd dat we bij Parque Calixto García zijn aangekomen is het donker geworden. De straten zijn slechts hier en daar verlicht, maar de trottoirs zijn vol met mensen. Ik voel een hand op mijn bovenarm. Ik stop en draai me om en zie een meisje op twee meter afstand. Ze kijkt naar me. Lo siento, bebe, daarvoor ben ik niet naar Cuba gekomen.